Deze week kwam een oude vriend op bezoek. We zien elkaar niet heel vaak, maar we kennen elkaar wel al bijna 40 jaar, door ons vrijwilligerswerk bij de culturele dorpsvereniging. Hij was een van mijn voorgangers – als maker van het clubblad – en we waren alle twee lid van de filmhuis werkgroep.
Maar in de periode dat ik lid werd en steeds actiever deel ging nemen aan het verenigingsleven, nam hij juist wat meer afstand. Inmiddels kom ik er ook al lang niet meer zo frequent, waardoor we voornamelijk spraken over de goeie ouwe tijd. Dat gaf genoeg gespreksstof en heel wat 'o, ja, dat weet ik nog'-momenten. En ook vragen als: ken je die nog en weet je hoe het met die verder is gegaan ?
Hij is, net als ik, in ons dorp geboren, een paar jaar eerder, maar op dezelfde plaats, in het kraamkliniekje dat beheerd werd door de nonnetjes van Mariënburg. Die nonnetjes zijn vermoedelijk allang overleden, het kliniekje is gesloten, het gebouw afgebroken en vervangen door een verzorgingstehuis en ouderenwoningen.
Hij bracht een boek voor me mee, met oude foto's van ons dorp, vanaf 1900 tot 1999, toen het boek verscheen. Eén van de samenstellers, ik denk dat hij inmiddels overleden is, kwam ook wel eens bij onze vereniging. In dat boek staan mooie foto's, van soms heel mooie gebouwen, die helaas meestal gesloopt zijn.
De dag na zijn bezoek bladerde ik het eens rustig door. Naarmate ik vorderde zakte mijn opgetogen stemming langzaam af naar droefenis. Ons dorp was 100 jaar geleden een boerendorp, met een flink aantal mooie villa's. Het boek richt zich, begrijpelijkerwijs, vooral op wat er niet meer is. En dat is veel.
Leuke woonhuisjes, mooie boerderijen, grote en weelderige buitenhuizen, schoolgebouwen, molens, kerken, dorpskroegen... de sloopkogel is er nietsontziend doorheen gegaan.
En wat er voor teruggekomen is... het is eigenlijk, zonder uitzondering, afschuwelijk lelijk. De ergste foto's zijn die van de eerste flatwijken, die in de jaren '60 en '70 gebouwd werden, in het hart van ons dorp. Boerenland verdween onder afschuwelijke hoogbouw. Ik mag het zeggen, want ik ben in zo'n flat opgegroeid. En hoewel het woonblok, waar ik nu in woon, tegenover een leuk park staat, is het ook een lelijk ding.
Dat de flats op een kaalgemaakt landbouwgebied werden gebouwd maakt de indruk, die ze op de foto's in het boek geven, nog akeliger. Rij je nu door die flatwijken, dan wordt de aanblik wat verzacht, door de bomen en struiken die er in de tussentijd gegroeid zijn. Maar, jongens, wat zag het er troosteloos uit, op die oude foto's.
Gek genoeg heb ik er helemaal geen slechte herinneringen aan. Mijn jeugd was best gelukkig. Maar ik wist toen niet hoe mooi en vredig het er daarvoor uitgezien had. Het lied van Wim Sonneveld kwam bij me op, over dat tuinpad van zijn vader – in mijn geval mijn grootvader – en met terugwerkende kracht voelde ik mee met de regels: 'Ik was een kind, hoe kon ik weten, dat dat voorgoed voorbij zou gaan...'
Je vraagt je af wat de bouwers en ontwerpers, van die flats, indertijd gedacht hebben ? En de bestuurders, die toestemming gaven voor de aanleg van die wijken. Zouden die echt gedacht hebben dat ze iets goeds deden voor de mensheid ? Het is jammer dat ik niet gelovig ben, want het zou een troostrijke gedachte zijn als er een hel voor architecten en projectontwikkelaars bestond.
Ps: 'Het Dorp' van Wim Sonneveld is van oorsprong een Frans lied, 'La Montagne' , geschreven door Jean Ferrat. De Nederlandse tekst is geschreven door Friso Wiegersma. Klik op de titel van het liedje voor een YouTube-filmpje.
Het boek '100 jaar Soest en Soesterberg in woord en beeld', door Henk Gerth en Joop Piekema, is alleen nog tweedehands verkrijgbaar. Ik vond op internet 1 exemplaar. Het is opmerkelijk dat ik bij het doorbladeren maar één keer de naam van onze culturele dorpsvereniging tegenkwam. Het gebouw, staat er wel in, maar wordt omschreven als Museum Oud Soest, terwijl die instelling er 20 jaar later bij kwam. In 1999 waren we, klaarblijkelijk, nog niet echt geaccepteerd.






