In een bundel met muzikale verhalen van
journalist David Hepworth las ik, een paar jaar terug, een pleidooi
voor de manager. Meestal komen managers er slecht vanaf, in
biografieën van muzikanten, maar Hepworth probeert dat beeld bij te
stellen. Okee, er zijn genoeg voorbeelden van artiesten die door hun
managers opgelicht zijn, maar dat is niet het hele verhaal.
Volgens Hepworth zijn er veel meer
voorbeelden te vinden van managers, vaak familieleden, of vrienden
van muzikanten die, zonder er zelf beter van te worden, enorm veel
tijd en geld in een beginnend bandje staken. Die hulpvaardige
liefhebbers, vaak meer fans dan zaakwaarnemers, die met apparatuur
liepen te sjouwen, een busje kochten, advertenties plaatsten,
drukwerk lieten maken enzovoort, om hun muzikanten vooruit te stuwen,
op hun weg naar succes en beroemdheid.
Ik las ooit over Bill Fehilly, de
manager van Alex Harvey, een Schotse rockzanger en een van mijn
favorieten, die zelf een platenmaatschappij oprichtte voor Alex en
zijn band. De platenmaatschappij bracht albums uit, organiseerde
tournees, waarvan achteraf bleek dat ze gefinancierd werden door de
firma van de manager.
Toen Fehilly verongelukte – hij vloog
met zijn vliegtuig tegen een berg aan, ironisch want de naam van zijn
platenmaatschappij was 'Mountain Records' – bleek dat de band met
al die activiteiten helemaal niets verdiend had. De verkoop van
platen en concerttickets had minder opgeleverd dan wat de manager er
aan uitgegeven had.
Op dit moment ben ik aan het lezen in
'The Colonel and the King ', een biografie over Colonel Tom Parker,
de manager van Elvis Presley, geschreven door Peter Guralnick. We
kennen de schrijver door zijn omvangrijke, tweedelige, biografie van
Elvis en zijn eerdere boeken over Sam Cooke en Sam Phillips. Ik ben
een fan van Guralnick en schreef al eerder over hem.
Colonel Parker wordt vaak afgeschilderd
als een schurk, een oplichter, die helemaal geen kolonel was en ook
geen Tom Parker heette. Dat laatste klopt, hij heette eigenlijk Dries
van Kuijk, was geboren in ons eigen Brabantse Breda en vluchtte als
jongen naar Amerika, waar hij nooit officieel staatsburger werd.
Dat 'colonel' was een soort van bijnaam
hoewel hij wel, door zijn inzet voor een succesvolle
verkiezingscampagne, van de gouverneur van Louisiana de eretitel van
kolonel kreeg, in de Louisiana State Guard. Maar verder is het
portret, dat Guralnick van hem schetst, best positief.
De kleine Dries van Kuijk was een
onrustige jongen, die circusvoorstellingen organiseerde voor de
kinderen in de buurt. Zijn vader trad met harde hand op en Dries was
blij het ouderlijk huis te kunnen ontvluchten, toen hij een baantje
kreeg aangeboden, in het transportbedrijf van een oom, in Rotterdam.
Daar ontstond het idee om naar Amerika
te gaan. Dat mislukte bij de eerste poging, Dries werd terug op een
boot naar Nederland gezet. Maar de tweede keer ging het wel goed. Na
wat omzwervingen vond Dries werk bij een rondtrekkende kermis. Daar
ontwikkelde hij zich van klusjesman tot publiciteitsmedewerker.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog meldde
hij zich, als Tom Parker, aan bij het Amerikaanse leger. Hij nam
nooit deel aan gevechtshandelingen, maar was een wel tijdje
gestationeerd op Hawaii. Hij werd, na de oorlog, ontslagen vanwege
mentale problemen.
Een paar jaar later was hij de
succesvolle manager van zangers Eddy Arnold en Hank Snow. Hij zag
Elvis Presley optreden, toen nog een tamelijk onbekend talent. Hij
zag mogelijkheden in de jongeman, vooral door de reacties van het
publiek. Hij hielp Presley aan een contract bij een grote
platenmaatschappij en bezorgde hem filmcontracten.
Voor veel muziekliefhebbers was Parker
de man die Elvis veranderde, van een opwindende rock & rollzanger
in een, zoetige liedjes kwelende en matig acterende, filmster. Maar
dat is onterecht. Parker regelde alleen de financiën en de
publiciteit. Met de keuze van liedjes, of de inhoud van de films
bemoeide hij zich niet. Als we daar iemand de schuld van moeten geven
dan is het Elvis zelf en de producers van zijn platen en films.
Er wordt Parker ook verweten dat hij
zoveel geld in eigen zak stak. Maar zelf was hij daar heel open over.
Ze hadden een contract waarbij Parker een flink deel incasseerde,
maar hij bedong voor Elvis ook voorwaarden die voor andere artiesten
ongekend waren. Het is maar de vraag of de zanger, met een minder
gewiekste manager, meer verdiend had.
Parker kon niet voorzien dat Elvis zo'n
wereldwijd succes zou worden. De meeste populaire zangers beleefden
immers maar een korte periode van succes. Het was bij
platenmaatschappijen de gewoonte om zo vlug mogelijk, zo veel
mogelijk, muziek uit te brengen van hun sterren. Snel incasseren,
want het kon ook snel weer voorbij zijn. Parker verzette zich
daartegen en vond dat je de markt niet moest overspoelen. Bij Elvis
werkte dat. Maar het had ook anders kunnen lopen.
Het boek van Peter Guralnick beschrijft
de jeugd en jonge jaren van Dries van Kuijk / Tom Parker. Zijn
successen met Elvis en de wat moeilijkere jaren, na de dood van de
zanger. Colonel Tom worstelde met een gokverslaving en met
rechtszaken omtrent de nalatenschap van Elvis.
Guralnick ontmoette hem toen hij bezig
was aan zijn Elvis-biografie. Ze raakten bevriend en Parker gaf te
kennen een boek te willen schrijven over zijn eigen leven. Hij had al
een titel: 'How Much Does It Cost If It's Free ?'. Guralnick raadde
hem aan zijn brieven te publiceren, Parker schreef er duizenden en
had een uitgebreid archief, maar dat kwam er allemaal niet van.
Na de dood van Parker kreeg Guralnick
toegang tot het archief en dat bracht hem er uiteindelijk toe om zelf
een boek over Parker te schrijven. In de eerste helft vertelt hij het
verhaal van diens leven, in de tweede helft doet hij een greep in
zijn correspondentie. Zo lees je veel verhalen twee keer, maar dat
hindert niet. Het blijft interessant en het boek is een mooie
aanvulling op de biografie van Elvis Presley.
Was Colonel Parker een goede, of een
slechte manager ? Het is een genuanceerd verhaal, dus een zwart-wit
antwoord is er niet. Hij was in ieder geval een kleurrijke
persoonlijkheid en werd gewaardeerd door collega's en zakenpartners.
Een harde onderhandelaar, maar geen doortrapte schurk. Wel een man
met veel gevoel voor humor, die zijn brieven doorspekte met grappen
en sterke verhalen.
De boeken van Peter Guralnick zijn
helaas niet in het Nederlands vertaald. De Engelse uitgaven zijn op
papier en als E-book te verkrijgen.
De Strip is gemaakt door de Stripman zelf. Klik op het plaatje voor een grotere weergave.