Met de
vergeet-functie van mijn geheugen zit het wel goed. Men zegt dat je
lang niet alles kunt onthouden wat je meemaakt. En dat is maar goed
ook. De enkelingen die dat wel kunnen trekken zich na verloop van
tijd terug in een donkere, stille kamer. Stapelgek worden ze van al
die herinneringen.
Daar heb ik dus
geen last van. Laatst nog werd op tv een oude Franse film
uitgezonden, 'Le mari de la coiffeuse', met Jean Rochefort in de hoofdrol. Indertijd, de film dateert uit
1990, heb ik hem zelf gedraaid in het plaatselijke filmhuis. Je zou
dus zeggen dat ik er, vanachter de projector, een goede indruk van
gekregen moet hebben.
Het enige dat ik me nog herinnerde was
dat het over een man ging die met een kapster trouwde, dat hij
grappig danste op Arabische muziek en dat het treurig afliep. Dat
klopt allemaal. Maar nu ik hem opnieuw zag was ik toch verbaasd dat
ik zo weinig details onthouden had.
Het is een prachtige film, dus was het
helemaal geen straf om hem nog eens te zien. Een goede reden om de
andere films die ik in die periode gedraaid, of gezien, heb weer
opnieuw te bekijken. Als de gelegenheid zich voordoet.
Het was dus zonder
schroom dat ik laatst een boek kocht dat ik gelezen heb als tiener en
toen prachtig vond: 'De kapellekensbaan' van Louis Paul Boon. Ik wist
nog dat het over een meisje ging, Ondine, dat opgroeide in een
fabrieksstadje. Maar ook dat het verhaal over Ondine afgewisseld werd
met allerlei andere verhalen.
Dat klopt precies.
Ondine is de dochter van een timmerman in een kleine stad met twee
fabrieken. Het zijn onzekere tijden van beginnende modernisering en
opkomend socialisme. Maar al lezende ondervond ik dat ik van de
belevenissen van Ondine vrijwel niets onthouden had.
Noch van alle andere verhalen die Boon
er doorheen geweven heeft. Want Ondine, de we gepresenteerd krijgen
in korte stukjes van nauwelijks een pagina lang, wisselt hij af met
zijn eigen gedachten tijdens het schrijven. En met het commentaar dat
een hele reeks van bijfiguren, of misschien alter-ego's, op zijn
verhaal geven en de verhalen die zij weer aandragen.
Van monsieur Colson van 'tminnesterie'
tot de kantieke schoolmeester, van schilderes Tippetotje tot Johan
Janssens, de dichter, die stukjes in de krant schrijft over Reinaert
de vos. Het maakt van het boek een caleidoscopisch geheel, dat toch
vaart heeft en meeslepend is.
Achteraf
verwondert het me wel dat ik het als 16- of 17-jarige zo goed vond.
Want heel gemakkelijk is het nu ook weer niet geschreven. Boon
hanteert hier en daar een eigen spelling, gebruikt uiteraard Vlaamse
uitdrukkingen en heeft een heel eigen kijk op zinsbouw en
hoofdlettergebruik.
Ik moet toen al
doorgehad hebben dat het een meesterwerk is. Nadien las ik nog een
hele reeks boeken van hem. Tot en met zijn latere, nogal zware,
historische romans aan toe.
Louis Paul Boon leefde van 1912 tot '79
en was, in de jaren '70, een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs
voor literatuur. Die heeft hij niet gekregen. Wel de Constantijn
Huygensprijs in 1966. En dat terwijl zijn eerste boeken zo weinig
succesvol waren dat de Kapellekensbaan, aanvankelijk, door zijn
Vlaamse uitgeefster geweigerd werd.
Zie voor meer biografische details de website van het Louis Paul Boon Genootschap
De Strip: Ter
afwisseling van het Stripmannen vervolgverhaal een aflevering van
'Wachten op Eduard', gemaakt door de Geheimzinnige Hulpman. Meer
afleveringen zijn te zien op zijn website: www.palymptoot.nl
Aan een vervolg
van het vervolgverhaal wordt gewerkt...
