'De biodiversiteit nam de afgelopen
honderd jaar met 85 procent af, en daalt verder; in Nederland het
meest van de EU,' las ik, afgelopen week, in de Volkskrant. Dat het
zo slecht gaat met die biodiversiteit komt vooral door de
achteruitgang van het buitengebied, het boerenland. Daar moet voedsel
worden geproduceerd, daar moet vee lopen en wordt de natuur, heel
efficiënt, bestreden.
Het zou mooi zijn als we op andere
plaatsen, bijvoorbeeld in de bebouwde kom, de natuur wat meer ruimte
zouden geven. Daar is het openbare groen er voor ons plezier en
welzijn. Het gaat bovendien om flinke oppervlakten, grote grasvelden
tussen de woonblokken en een massa bloemperken. Het zou dus een
enorme bijdrage kunnen leveren aan de biodiversiteit.
Ik schreef daar, begin juli, een brief
over naar de plaatselijke krant, waarin ik opriep om minder te
maaien en te schoffelen. Mijn brief werd geplaatst en lokte een
reactie uit van de heer W., opzichter directievoering van de
gemeente. Die verscheen vorige week in de krant, met als kop: 'Natuur
zijn gang laten, kan dat wel ?'
De heer W. legt uit dat er niet zomaar
wat gedaan wordt. Op sommige plekken wordt vaak gemaaid, op andere
minder. De argumenten om te maaien zijn: dat lange gras is slordig en
'de veiligheid'. In lang gras kunnen beestjes zitten die wel eens een
mens kunnen bijten. Maar ja, die zitten ook in het park, aan de
overkant van de straat en in je eigen achtertuin.
De heer W. geeft toe dat onkruid
belangrijk is voor de biodiversiteit, maar zegt ook dat het beheerd
moet worden. Neem nou de paardenbloem: '...die is weliswaar waardevol
voor de biodiversiteit, maar heeft ook een nadeel. De bloem heeft een
lange penwortel die zo diep in de grond woekert dat hij moeilijk te
verwijderen is.'
Het lijkt erop dat er aan de ene kant
wel goede wil is, maar dat men vast zit in oude patronen. Want waarom
zou je die paardenbloem moeten beheren – bedoeld wordt bestrijden –
als hij zo waardevol is ? Dat hij moeilijk te verwijderen is is toch
geen argument om hem te verwijderen ? Laat dat plantje toch staan !
Biodiversiteit en groenbeheer, is dat
per definitie in strijd met elkaar ? Biodiversiteit zijn alle planten
en dieren die, van nature, op een bepaalde plaats leven. Die wilde
planten trekken insecten aan, vogels en andere dieren. Alles wat,
zonder dat de mens zich ermee bemoeit, op een plek groeit en leeft is
de biodiversiteit. Die hoeft niet beheerd, aangeplant, of ingezaaid
te worden. Biodiversiteit is er vanzelf.
Groenbeheerders willen graag de handen
uit de mouwen steken en dat is een reflex, die moeilijk te beteugelen
is. Dat blijkt uit het beplanten van bloemperken, met bloeiende
struiken waar insecten op af komen en het inzaaien van wegbermen, met
'bermmengsels die de biodiversiteit bevorderen'. Dat minder doen vaak
beter is komt niet in ze op.
Planten die aangeplant of ingezaaid
worden en dus niet van nature ergens voorkomen, zijn niet zo goed
voor de biodiversiteit. Ze verdringen namelijk de planten die op die
plaatsen thuishoren. De plaatselijke insecten zijn helemaal afgestemd
op die plaatselijke planten. Je kunt wel leuk vlinderstruiken in de
bloemperken zetten, maar als je de brandnetels wegmaait hebben die
vlinders geen plek waar ze hun eitjes kunnen leggen en waar hun
rupsen kunnen opgroeien.
Het wegschoffelen van onkruid, uit
bloemperken die aangelegd zijn voor de biodiversiteit, is dus een
schadelijke handeling. Je haalt de biodiversiteit weg, uit een plek
die je ingericht hebt om de biodiversiteit te bevorderen. Dat is toch
niet slim ?
'Maar mensen houden van een strak
gazonnetje, daar moeten we ook rekening mee houden,' zegt meneer W.
Maar moet dat echt ? Het openbaar groen is geen privétuin. Wie, in
zijn eigen tuintje, zijn grasveldje wil maaien moet dat maar doen.
Maar de gemeente roept de bewoners op om niet alles te betegelen en
ook wat onkruid te laten staan (echt !). Laten ze dan, met het beheer
van het openbaar groen, ook het goede voorbeeld geven.
De praktijk is helaas anders. In onze
straat zijn, in de afgelopen paar weken, de gazons gemaaid, de
bloemperken geschoffeld, de slootkant gemaaid en de stoep bewerkt met
zo'n stoomwagentje. Goed dat ze geen gif meer gebruiken om het
onkruid te verdelgen, dacht ik, en ook fijn dat er nog hier en daar
een plukje groen blijft staan, om de bomen heen. Verkeerd gedacht.
Even later kwam er een hovenier langs om de randjes weg te maaien en
de 'boomspiegels' – de stukjes kale grond om de stammen heen –
schoon te schoffelen.
Het gras hoeft niet overal een meter
hoog te staan en een bloemperk waar je helemaal niets aan doet wordt,
op den duur, een bosje. Dus een beetje snoeien en af en toe eens
maaien is prima. Maar ga niet elke week en overal tegelijk met je
maaimachines, schoffels en stomers tekeer. Laat het ook eens gewoon
een maandje bloeien en groeien. Dat bespaart bovendien manuren,
brandstof, stikstofuitstoot en geld.
Een paardenbloem heeft geen stekels,
hij maakt geen lawaai en verspreidt geen akelige lucht, maar is wel
goed voor de bijtjes en vlinders. Dat geldt ook voor de klaver,
boterbloem, ereprijs, hoornbloem, hondsdraf, robertskruid,
havikskruid, basterdwederik, duizendblad, akkerwinde enz. Allemaal
plantjes die in onze straat vanzelf komen groeien. Als we ze de kans
maar geven. Uit onderzoeken blijkt trouwens dat minder maaien en
schoffelen direct leidt tot een toename van insecten (biodiversiteit
!).
Meneer W. kent mijn argumenten, ik heb
hem en andere vertegenwoordigers van de gemeente al vaker geschreven
en gemaild. Er zijn meer bewoners die de gemeente verzoeken om minder
te maaien, zegt hij. En om terug te komen op de Volkskrant van vorige
week, daarin stond een artikel over een Rotterdammer die, zich het
onderhoud van de stadsparken in zijn stad had aangetrokken. Ik
citeer:
''Sinds Biemans – arts, kunstenaar,
social designer – het beheer en de schoonmaak van het park vijf
jaar geleden van de gemeentelijke plantsoenendienst overnam, en de
natuur min of meer haar gang laat gaan, is het aantal planten- en
insectensoorten geëxplodeerd.
Zijn geheim? ‘Stop met maaien, zodat
inheemse planten – onkruid, zoals de gemeente het noemt – kunnen
groeien. Dat is de kraamkamer van de insectenwereld. Haal her en der
wat weg, zoals grazers in de natuur doen. Daardoor ontstaat een
variatie aan beplanting.’ (…)
Zijn uiteindelijke doel is ‘dat alle
parken zo worden’.
Licht geĂŻrriteerd: ‘Maar dan moet de
gemeente wel wat veranderen aan het onderhoud, dat is gericht op
schoffelen. Plantsoendienstmedewerkers hebben geen benul van wat ze
doen – en worden daar zelf ook niet vrolijk van. Maak daarom ruimte
voor vakmanschap, voor de menselijke maat. Berg de bladblazers op en
breng het handwerk terug.'"
Zie voor het hele artikel: Stop
met maaien
De natuur zijn gang laten gaan ? Dat
moet !
Klik op de tekening voor een grotere weergave.