zondag 4 januari 2026

Mijn naam werd omgeroepen


Het is winter.
Er ligt sneeuw op Soestdijk en het is koud. Met de scootmobiel boodschappen doen gaat nog best, maar lange wandelingen maken zit er niet in. Het zal geen toeval zijn dat ik van uitstapjes naar andere streken droomde.

In mijn droom waren we dus op vakantie. Mijn vrouw was mee, mijn broer, mijn vader en nog wat vagere vrienden en familieleden. We gingen een wandeling maken, maar als snel raakten mijn vrouw en ik de rest van de groep kwijt.

We wandelden door een golvend landschap, een vriendelijke mevrouw wees ons de weg naar het stadje dat we als einddoel hadden. De lucht was donker en in de verte hoorden we het donderen. Waar wij liepen bleef het gelukkig droog.

Even later waren we in het stadje. We wandelden wat rond en keken op de terrasjes of we onze reisgenoten zagen. In de verte zagen we een haventje waar een aantal antieke schepen lag. 17e eeuwse oorlogsschepen leken het, maar ik dacht dat het wel replica's zouden zijn, zoals de Batavia, bij Lelystad.

Op een pleintje vonden we een deel van ons reisgezelschap terug, op het terras van een café dat 'The Green Lady' heette, of misschien 'The Green Minnow'. De naam stond op de gevel, in groene neonletters. Het terras was vol, maar ik zag mijn vader niet. 'Die is vast naar die schepen toe', zei ik tegen mijn vrouw. 'Bestel jij wat te drinken, dan ga ik kijken of ik hem zie.'

Om bij het haventje te komen moest ik door een modern winkelcentrum. Ik zag een bordje dat me de goede richting op wees en ik kwam heelhuids aan de andere kant. Daar hoorde ik mijn vader praten met mijn ex-zwager J. Ze stonden achter een informatiebord. Ik liep er heen en zei dat die schepen er mooi uitzagen.

'Ja', zei mijn vader, 'maar het evenement is eigenlijk al afgelopen. Je kunt nog wel meevaren, als bemanningslid.'

Een van de schepen voer langzaam de haven uit, maar ik had niet veel zin om mee te gaan. Ik gaf mijn vader een arm en samen liepen we terug naar het café waar de rest van de groep zat. Het terras was nu helemaal leeg, op de ene tafel na, waar onze familie en vrienden zaten.

Het was even schuiven met stoelen en doorgeven van drankjes. Ik had tonic besteld, de persoon naast me een Belgisch biertje. Hij wilde er een schijfje citroen in een sneed een stuk af van de citroen die ik bij mijn tonic had gekregen.

Ik bedacht dat als de brouwers van dat bier hadden gewild, dat het naar citroen smaakte, ze daar bij het brouwen wel voor gezorgd zouden hebben. Daarna werd ik wakker.


Een paar weken later, een andere vakantiedroom.

We waren opnieuw op pad met een aantal familieleden. We verbleven in een stadje aan zee, of aan een rivier. In ieder geval aan het water, want mijn vrouw en ik gingen varen in een roeiboot. Na een tijdje legden we aan, bij een rotsige kust waar een wandelpad langs was.

Het was prachtig zonnig weer. We liepen een stuk, maar het was erg druk en ik raakte mijn vrouw kwijt tussen alle andere wandelaars. De omgeving was prachtig. Het pad was op sommige plaatsen overdekt, als een galerij, met overal uitzicht over het water.

Er vlogen exotisch gekleurd vogels rond en ik zag een kleine jongen die een muis gevangen had. Het was een mooie bruine muis met een witte donzige buik en een pluizig behaarde staart. Ik maakte me even zorgen over wat de jongen met het diertje zou doen, maar hij liet het vrij tussen de wilde planten langs het pad.

Mijn vrouw belde me op en vroeg of ik, op de terugweg, een zak ijsklontjes mee wou nemen. Ik baande me een weg tussen de vele toeristen en liep langs drukke terrassen en door eetzalen, tot ik bij een ruimte kwam waar, aan verschillende tafels, mijn familieleden zaten.

Over de intercom werd mijn naam omgeroepen. Of ik de roeiboot, die ik gehuurd had, terug wou brengen naar het beginpunt. Ik gaf de spullen die ik bij me had, de zak ijsklontjes en de tas van mijn vrouw, aan mijn familie en vroeg of mijn broer zolang op mijn rugzak wilde passen.

Daar had hij geen zin in. Ik schold hem uit maar dat kwam me op een bestraffende blik van mijn moeder te staan. Ik zei dat het maar een grapje was en ging, met rugzak, op weg naar de plek waar we de roeiboot achter hadden gelaten.

Natuurlijk liep ik eerst verkeerd. Ik werd wakker voor ik hem teruggevonden had. 

 

 
De Strip is gemaakt door de Geheimzinnige Hulpman. Klik op het plaatje voor een grotere weergave.
 
Klik hier voor deel 1 - deel 2 - deel 3 en deel 4 van dit verhaal.  
 
Klik hier voor deel 1 - deel 2 - deel 3 - deel 4 - deel 5 en deel 6 van het vorige stripverhaal.  
 
 

 

3 opmerkingen:

martin zei

Verstandig van je broer. Wie wil er nu met een zak ijsklontjes zitten!?

Zelfstandig journalist Antwerpen zei

Je wilde die roeiboot toch niet mee jatten zeker?

Jan de Stripman zei

@martin - Mijn broer is altijd heel behulpzaam, dit had ik niet achter hem gezocht ;o)

@zelfstandig journalist - Nee, ik wilde hem juist achterlaten. Anders had ik hem direct wel meegenomen. Wat me behoorlijk lastig lijkt op zo'n druk wandelpad...